GIJSBREGHT van AEMSTEL

 


Een multidisciplinaire voorstelling met 17e eeuwse klassieke toneeltekst, gregoriaanse techno, bewegende projectieschermen, live videocamera’s en vier etalagepoppen op monumentale locaties.

 


 

4e versie


Gijsbreght van Aemstel Ab Gietelink


Badeloch Munda Delamarre
Klarisse

Willebrord Dick Top/ Rop Severien
Gozewijn
Broer Peter
Bode

High-tech miltair Marcel Schouwstra
Diedrik van Haerlem
Geheim agent Vosmeer
Heer van Vooren

High-tech militair Danny van Leeuwen
Willem van Egmont
Arend van Aemstel
Bode

High-tech militair Hobbe Faber
Techniek

Auteur Joost van den Vondel
Regie & bewerking Ab Gietelink

Dramaturgie Jacob Dekker
AV geluid en beeld Ludger Hurts

Toneelbeeld Ab Gietelink

Charlie Citron
Technische ondersteuning Arjen Mulder,
Maarten Verheggen
Technische set St. Dondervogel
Publieksontvangst Maria Bergshoeff
Grafische vormgeving Aartjan Bergshoeff
Website/ videobeelden Heinerich Kaegi
Billboards & Vrachtauto Ruben Poncia
Zakelijk en decormedewerker Arnt van der Grijp
Producent Ab Gietelink


GIJSBREGHT VAN AEMSTEL / ANTI GLOBAL.
PROLOOG
Een video/diaserie op muziek van 1. Early 11 over de traditie van de Gijsbreght
Projecties: Posters van Gijsbreght voorstellingen, aftiteling en beelden Gijsbreght en historisch Amsterdam.

HET EERSTE BEDRIJF.
1e Toneel
De muren van de stad Amsterdam, haar torens en haar poort worden gevormd door verrijdbare gebroken witte projectieschermen. Boven een van de muren staat een vaandel in de kleuren van de stad Amsterdam.
Er is een feest met fluit en lichteffecten, dans en 2. middeleeuwse volksmuziek 8. Het geluid sterft weg. Gijsbreght met komt met juichend gevolg op.

Gysbreght van Aemstel
Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten
Erbarremt over my, en mijn benaeuwde vesten,
En arme burgery; en op mijn volx gebed,
En dagelix geschrey, de bange stad ontzet.
De vyand, zonder dat wy uitkomst durfden hopen,
Is, zonder slagh of stoot, van zelf het veld verlopen.
Mijn broeder jaeght hem na. Zy neemen vast de wijck,
En vlughten haestigh langs den Haerelemmer dijck.

Hoe snel, hoe onverziens is deze kans gedraeit?
Alhier, daer ’t leger lagh, is ’t veld alsins bezaeit
Met wapens en geweer, verbaest van ’t lijf gereten,
Van ingebeelden schrik, en uit der hand gesmeeten,
Om zonder hindernis te vlieden langs de wegh.
Ia op ’t verjaeren zelf van ’t jaerige belegh
Word d’afgestrede muur van ’t lang belegh ontslaegen.
Hoe zal het gansche land van ons verlossing waegen.

De Kermerlander had met waterlander dier
Gezworen duizendwerf, dat hy met zwaerd en vier,
Vernielen zou eerlang de menschen en de daecken,
En tot een kerreckhof en asch en puinhoop maecken
Mijn oud mijn wettigh erf, en delven al mijn eer
In eenen poel, tot wraeck van Floris hunnen heer:
Om wiens vervloeckte dood ick lijde zoo onschuldigh,
Als yemant lijden magh, doch draegh mijn kruis geduldigh:
Of zoo ick schuldigh ben, en heeft het my gemist.
’t Is uit onnozelheid en zonder argh of list.

Uit Floris geile borst, en 't schandelijck omhelzen,
En schennen van mijn nicht, die schoone bloem van Velzen;
't Verongelijcken van den adel, in zijn Recht,
Bezworen met zijn' mond, verblinde menschen, zeght,
Indien geen wrock en wraeck uw oogen en verblinden,
Zoud ghy niet stofs genoegh tot Aemstels onschuld vinden?

Willebrord
Gekleed in katholieke pij komt op .
Myn welgeboren heer, de zoete Jesus zy
Met u en uwe stadt, en sta u eeuwigh by,
In allerhande nood. De Broeders van ons orden
En ick, zijn zoo verblijd, als ofwe levend worden
Getrocken in den troon van Gods volmaeckte vreughd
Geen hair is ons gekrenckt, geen overlast gebeurt.
Men heeft het klooster noit in zijnen dienst gesteurt.
Wij hebben staegh volhard in onzen ouden yver.
De boomgaerd leed geen scha aen vruchten, noch de vyver
Aen visschen, noch de kerck aen d’allerkleensten ruit.

Gysbreght
Wie heeft dan des soldaets baldaedigheid gestuit?

Willebrord
Verwonder u niet eens, de nood heeft hen gedrongen.

Gysbreght
Godvruchte vader, spreeck, ik luister na’et verslagh.

Willebrord
(Knielt en doet Islamitisch gebed)
Na dat ick d’oversten een wijl had hooren mompelen
Van Amsterdam, al stil, by duister t’overrompelen
Rees tussen Diedrick zelf en Egmond een krackeel,
Dat uitborst meer en meer, en yeder trock een deel
Van t krijgsvolck op zijn zy, en zocht het stuck te stijven,
En na zijn eigen hoofd den aenslagh door te drijven.

Tot dat al d‘oversten verzaemelden heel stil
In ’t klooster, deezen dagh,. tot slechting van ’t geschil:
Ick sprack hen toe en brogt aldus hen aen ’t bedaeren
De tweedraght is een pest, die allen staet te schroomen.
Gedenckt dat u de stad, die 't rieckt, op 't lijf zal koomen

Ick merckte dat mijn raed niet weinigh en vermoght
Men nam mijn woorden in. Zij kregen achterdocht,
Daer liep een klein gerucht, ghy waert al op de been.
De doodschrick quam 'er in. men ruckte 't heir by een.
Men brack al heimlijck op, en zonder eenigh teecken
Van horen en trompet, of hut in brand te steecken.

Gijsbreght
Ghy hebt de stad, en my geen kleinen dienst gedaen:
Een deughd, die nimmer zal uit mijn gedachten gaen.
Gedenck my in t gebed, voor uw autaer, ten goede.

Willebrord
De lieve Jesus neem u eeuwigh in zijn hoede.

2e Toneel
3. Klaroenstoot / trommel uit de verte. Arend van Aemstel komt op met de gevangen Vosmeer. De gevangene is geboeid en draagt een masker over het hoofd. Arend zet een stalen emmer water voor hem neer.

Arend
Heer broeder zijt gerust, en luid van vreughd de klocken.

Gijsbreght
Waer is het heir? Hoe veer waert ghy den nagetrocken?

Arend
Ontrent een boogscheut weeghs aen geen zy Slooterdijck.

Gijsbreght
Hoe ging 't u op den toght?

Arend
Zy stoven algelijck
Voor uit, als voor den wolf een kudde onnoosle schaepen.
Mijn volck hoefde op dien toght geweer noch eenigh waepen,
(Arend duwt Vosmeers’ hoofd enkele malen in de stalen emmer).

Gijsbreght
Wie zijtghe? Waer van daen?

Vosmeer
Heer Gijsbreght, strafme vry.
Ick ben van ’s vijands volck, en waerdigh om te sterven.
Ick heb mee gezocht uw stad en burgers te bederven,
En duizendmael verdient een schandelijcke dood.
Ick geef my in uw hand, geparst door hoogen nood.

Gysbreght
Wat zijtghe voor een gast? of in wat land geboren?

Vosmeer
Ick ben een Goyers kind, vervallen in Gods toren,
Te Haerlem opgevoed, ‘k ontliep mijn oudren vroegh.
Mijn vader vielme hard, want ickme paslijck droegh.
‘k Heb al mijn leven lang gevolleght vreemde Heeren,
En buiten moeten ’t geen ick t’huis niet woude leeren.

Gysbreght
Sta op, en heel my niets van alles wat ghy weet.

Vosmeer
Nu ben ick ymmers vry van Hollands dieren eed,
En Egmond kan my hier niet heeten of verbieden.
Hij dreightme met de dood, en parstme hier te vlieden.
Mijn aenslagh is verbrod en ydel en onnut.
Heer Gyzelbreght, gena. Ick geef my in uw schut.

Gysbreght
Ontbind den knecht, zoo magh hy onverhindert spreecken.

Vosmeer
‘k had zomtijds door de graft, by duyster nacht, gezwommen,
En al de wacht bespied, en ’t groot rondeel beklommen,
Dat aen de hoeck van ’t Y uw stercke stad bewaert.
Hier lagen Blijden in, en ander krijgsgevaert.

De graft, waerze ondiepst is, met rijs op kerstnacht damm’n
En kruipen in’t rondeel om d’eerste poort te rammen.
En ’t was te nacht de tijd, en vraeghtghe na bewijs?
Ghy ziet, hoe daer een schip, het Zeepaerd, leit, vol rijs;
Het welck men door de vlught verzuimt heeft en vergeten.
Wat werdt ‘er niet al tijds met kibbelen versleten?
De hoofden laegen vast ellendigh over hoop.
Men schoof de schuld op my.’k had menschen vleesch goed koop:

Want anders was ik daer gebleven en versmoort.
Doch zoo ick serven moet, ‘k wil liever voor uw poort,
Aen wie ick het heb verdient, dit lastigh leven laten,
Dan by mijn eigen volck, die my met onrecht haten.

Gysbreght
Ga heen, ick schenck u ‘’t lijf. ‘’t en is geen straffens tijd.
Wy zijn van onsen hals de groote vyand quijt.
‘k Ontfang u in mijn dienst, en zal u wel betaelen.
Ga help terstond het rijs en ’t Zeepaerd binnen haelen.

Ick hoor de Goyer doet de waerheid niet te kort,
Want zijn vertelling stem met vader Willebrord.
( Schip wordt stad ingebracht. 4.Muziek van Dufay. De poort sluit zich)

3e Toneel
Rey van Aemsterdamsche maegden
Op de poort verschijnt de Rey van Amsterdamse maagden. Zij zingen het lied.

Nu stelt het puick van zoete keelen,
Om daar gezangen op te speelen,
Tot lof van God, die op zijn troon
Gezeten is, zoo hoogh en heerlijckt;
Van waer hy zien kon, hoe begeerlijck
Het Sparen stack na Aemstels kroon.
Hoe wraeck met zwaerden en met speeren
De torenkroon van ’t hoofd wou scheeren
Der schoone en wijd vermaerde stad,

’t is tijd de kercken te stoffeeren,
Te danssen, en te bancketteeren,
En met een uitgelaeten geest
Dees blijschap aen de vreughd te huwen,
Die vrolijcke englen ons vernuwen
Met zang, op God geboortefeest.
Treck in, o Aemstel, treck nu binnen,
Die zonder slagh kunt verwinnen.
Treck in, o braeve burgery,
Die u zoo moedigh hebt gequeten.
Geen eeuw en zal uw eer vergeten.
De hemel sta u eeuwigh by.
(3. Muziek van Dufay )

HET TWEEDE BEDRIJF
1e Toneel
Donker. Het Kartuizerklooster met projecties van ME kloosters
5. Muziek El Canto1 er volgt een schijnsel.
Een grote koperen bel. Een militair in camouflagepak met zonnebril staat als veiligheidsagent op het voortoneel. Willem van Egmond en Diederik van Haerlem in militair kostuum komen op.

Egmond
Wy zijn by ‘t klooster weer, daer Willebrord in vree
Met al de broeders woont, en stort zijn avondbee
’t Zal; nodig zijn dat wy den hoplien openbaeren
Het geen op handen is.

Diedrick
’t is tijd, zij wisten gaeren.
Wat hier van wezen magh, verlos hen van die pijn.

Egmond
(Tot het publiek)
Manhafte hoplien, hoort; wy hebben, onder schijn
Van onderling krackeel, een aenslagh voorgenomen,
Om beter tot ons wit op eenen sprong te komen.
Men heeft daer op het heir van daegh te rugh gevoert;
Maer dat en is het niet, waer op de veldheer loert,
Noch ’t geen men onder ‘’t volck veel dagen hoorde mompelen.
Ons wit is, desen nacht den vyand t’ overrompelen,
Nu hy zich veiligh acht, en buiten krijghs gevaer.
Voor 't opgaen van de maen, (ten duncke niemant zwaer)
Zal 't leger meester zijn van poorten en van vesten.
Wat is 'er dan voor u een rijcke buyt ten besten!

Hoplieden
(poppen)
De veldheer geefs slechs last, aen ons zal ’t niet verbreecken

Egmond
Waer zalmen best een deel van ’t oorlogsvolck versteecken?

Diedrick
’t Katuizers klooster is ons’t reedst, het leid hier by

Egmond
Dat volck is liefst verschoont, en van inlegring vry.

Hoplieden
(poppen)
’t Is voor korte wijl

Egmond
Een Godshuis zoo t’ontwijen
Ick heb het lang verschoont

Diedrick
Laet my daer mee betijen
Ghy hoplien boert terwijl den voortoght herwaert aen:
Wanneer ghy koomt, zoo zal het klooster open staen,
Of 't most my aen de macht, dat zweer ick hen, ontbreecken.

Egmond
Ick gae terwijl na stad, om Vosmeer noch te spreecken,
Die ter gezette tijd koomt zwemmen door den boom
Versteur de broeders niet, maar hou u wat in toom,
Noch roept niet luid, men moght uw stem te verre hooren
(Egmond af. 6. Gregoriaans. Kerkklokken).

Diedrick
Een krijgsman laet zich niet van paepen ringelooren.
(Hij luidt de bel)

Poortier
(Van boven af)
Wie klopt’er?

Diedrick
Doe vrij op, en vrees niet. ’t Is uw vriend.

Poortier
’t is avond, en een tijd daer ons geen vriendschap dient.
Koom morgen vroegh by daegh.

Diedrick
Wat zal ons hier gebeuren?
‘k zeg anderwerf, doe op.

Poortier
Men opent hier geen deuren
Zoo spade, ga uw gang. Koom morgen tijdigh weer.

Diedrick
(Belt nogmaals)
Ick zegh voor ’t lest, doe op, en doet ghy ’t niet, ick zweer.

Poortier
Wie zijtghe, die dus raest, als wild en uitgelaeten?
Wy dochten langer niet om ruiters noch soldaten.
Heer maerschalck, wel hoe dus? Wat jaeght u hier zoo spa?
Men sloegh u ’t heiligh kruis, doen ’t leger op trock, na.
‘k Geloof niet dat ghy ons al weder zoeckt te quellen.
En koomtghe dus alleen? Waer zijn uw rotgezellen?

Diedrick
Ick koom alleen. Waer is uw meester Willebrord?

Poortier
Ter kercke, daer hij vast, en zijn gebeden stort.

Diedrick
Ga roep hem, want ik moet dien goeden vader spreecken.

Poortier
O Jesus, sta ons by, dit is een mislijck teecken.
(Poortier af. De poort gaat open. Gerammel van kettingen)

Willebrord
Heer maerschalck, wel, wat nu?

Diedrick
Ick koom by u te gast.

Willebrord
Ghy zijt my wellekoom, al koomt ghy ongebeden.
‘k Verwachte u t’avond niet, en luister na de reden
Dat ghy dus schichtigh keert: daer is wat meer aen vast.

Diedrick
‘k Verzoeck alleen aen u, en dat door Egmonds last,
Of ick wat krijgsvolck magh te nacht in ’t klooster leggen.
Het is een krijgsmans bee, ghy mooghtze niet ontzeggen.

Willebrord
Het zy daer mee zoo ’t wil, men opent nu geen poort
’t is Kerstmis, ’t klooster viert Gods vrolijcke geboort,
De hooghste feest van ’t jaer; dus laet dit werreck steecken.

Diedrick
Katuizer, hier en geld geen prevelen, noch preecken
Bewilligh mijn verzoeck, en sta mijn bede toe,
Of anders ly dat ick het ongebeden doe.
De tijd verloopt, 't is spa: daer komen mijn soldaeten.

Willebrord
'k Getroost my eer de dood, dan ick dit toe zal laeten.
Wat, wilt ghy 't Helsche vier op uwe halzen laen?

DIEDRICK
T’sa mannen, vaert vry voort, en steeckt het klooster aen,
’t is koud, zoo mogen wy ons by de kolen warmen

Willebrord
Och maerschalck, hou gemack, en wil u doch erbarmen:
’t En is geen Kristen mensch, die brand in kloosters sticht.
Al wat het Godhuis heeft, huivesting, vier en licht,
En spijs en dranck, het is voor ’t krijgsvolck al ten beste.

Diedrick
Nu mannen, treck vry in, treckt voor, ick blijf de leste.
(Donkerslag. Muziek)

2e Toneel
(7. Techno 2 0.00-0.46 Geprojecteerde beelden van het zuivere polder landschap rond Amsterdam. Donker. Krekel- en vogelgeluiden , beelden van het veld in Amsterdam Vosmeer loopt klappertandend over het voortoneel)
.
Vosmeer
Ick koom al heimelijck gezwommen door de grachten.
Waer sammelt Egmond nu? Hy zou my hier verwachten.
’t Is doncker. Ick ben nat, en klippertand van kou.

Egmond
(Komt van de andere zijde op met een lamp)
Wel waer of Vosmeer blijft? Ons afscheid was, hy zou
Verzeker op dees uur alhier zich laeten vinden.

Vosmeer
Hier is de man al zelf, die zich durf ondervinden
Een ‘aenslagh vol gevaers, moet passen op zijn tijd.

Egmond
Weest welkoom, braeve borst, nu blijckt het, datghe zijt
Een krijgsman, op wiens woord men wel een kerck magh bouwen.
Hoe hebt ghy ’t met den heer van Aemstel al gebrouwen?

Vosmeer
Zoo geestigh, dat ‘er niets aen dezen aenslagh faelt.
De burgery heeft zelf het Zeepaerd ingehaelt,
Met zangen en triomf, als die van Troje deden.
Ick stuurde en hield het roer: maer ’t oorloghsvolck beneden
In ’t water tot de knie, en vreesde te versticken
Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken;
Doc ;t leck geraeckte dicht, en stopte wonderbaer
Van zelf; doen broght de hoest ons weder in gevaer;
Vermits men ’t schor geluid bescheidelijck kon hooren.
Zoo God niet had verdooft des Amsterdammers ooren,
Wy waren van ons stem en eige keel verraen.
Ick gaf my zelven moed, en hief eens rustigh aen
Te zingen, dat het klonck, schoon hart en nieren krompen.
Dan trantelde ick van kou: dan viel ick eens aen ’t pompen.
Zoo raeckten wy in stad, daer als een waterval
Al ’t volleck schoot na’et schip, van straet en burreghwal.
Dre tijd en lijd nu niet u alles te vertellen.:

Het Seepaerd, zwanger van gewapenden, zal gaen
In arbeid, en van vracht, voor ’t opgaan van de maen,
Omtrent ter middernacht, verlossen, als de kercken
Op ’t hooghtijd zijn gepropt van menschen, die ’t niet mercken:
Dan zal de laegh nn twee gedeelt, eer ’t yemant hoort.
Terstond vermeestren gaen de Haerelemmer poort,
En rammenze met kracht: en ick, om u te lichten
Van veer, zal daedlijck brand in’t holle Zeepaerd stichten,
Dat midden in de stad by d’andre schepen leit.

Egmond
De maerschalck wacht op u in ’t kooster, al bereit
Terstond met duizend man de muuren in te trecken,
En ’t leger leit niet veer, ick ga het hen ontdecken.

Vosmeer
En ick al weer na stad. Nu veldheer. pas op ’t stuck.

Egmond
God geef, dat u en my dees aenslagh wel geluck.
(8.Muziek El Cid Forteleza )

3e Toneel
Rey van Edelingen
(Soefidans/ Maskerdans met witte maskers in net pak).
Wy edelingen, bly van geest,
Ter kerke gaen op ’t hooge feest
Den eerst geboren heiland groeten,
En knielen voor de kleene voeten
Van ’t kind, waer voor Herodes vreest:
Het kind waer voor een starre rijst,
Die Wijzen met haer straelen wijst

Ghy die der vorsten harten leit,
Gelijck een beeck, en schift en scheid
Het licht van dicke duisternissen;
Laet den tyran zijn ‘ aenslagh missen,
Die den onnooslen laegen leit.

HET DERDE BEDRYF
1e Toneel
De Stellingen voeren een dans uit. Dreigende muziek 9. Danger 1

2e Toneel
De stellingen staan links en rechts uit elkaar
Projecties van een Middeleeuws slot en slotzaal. Schimmenspel met de geest van Machteld. De hangende vanen met het Amsterdams wapen transformeren de ruimte tot de ridderzaal van het kasteel. Projectiemogelijkheden:
Badeloch in onderjurk ontwaakt uit een stoel op het achtertoneel.
Gijsbreght, in ondergoed, neemt haar in zijn armen.

Gijsbreght
Wel liefste, wat is dit? Hoe zietghe zoo beschreit?
Wat nevel van verdriet bezwalckt uw blinckende oogen?
Sta stil, mijn lief, sta stil: uw Gijsbregt zalze droogen.
Nu kus hem eens, en zegh, wat is het dat u smart?

Badeloch
My leit, ‘k en weet niet, een zwaerighied op ’t hart.
Ick heb in mijnen slaep yet schrickelijx verrnomen.
Een droom bezwaert mijn hart, gezichten doenme schroomen.

Gijsbreght
De droomen zijn bedrogh, ghy vreest uit misverstand.

Badeloch
Nicht Machtelt, dochtme, stond voor mijn ledekant,
Bedruckt, en in dien schijn, waer in zy, by haer leven,
My dick haer hartewee te kennen plagh te geven,

Ick sprackze al schreiende aen, na eenen diepen zucht:
Nicht Maghtelt, ’t is vergeefs: de vyanden zijn wegh.
Wat treurtghe? Wy zijn vry van laegen, van bespringen:
Dus hellup ons om hoogh by God triomfe zingen.

Zy schudde ’t hoofd, en scheen van gramschap te veranderen
In ’t aengezicht, en sloegh de handen van malkanderen,
En steende, en zuchte zwaer, en borst in ’t end dus uit:
Onnoosle, zijtghe nu van vyanden ontslaghen?
En slaeptghe zoo gherust? En vreestghe niemants laegen?

En naest aen uwen val? Op op, ’t en is geen tijd
Van slaepen, het is tijd na andere gewesten
Te vlieden van dit huis. De vyand heeft de vesten.
De stad die staet in brand, het is met haer gedaen.
Oom Gijsbreght heeft vergeefs zijn burgers voorgestaen.
Geen tegenworstelen noch strijden magh u baeten
Gods heilgen hebben kerck en outers lang verlaeten.

Gijsbreght
’t Is louter ydelheid, die zich het brein verbeeld.

Badeloch
10.Geluid 3x kerk klokken)
Och of het ydel waer! Ick heb mijn uur verslaepen,
Om na de kerck te gaen. ’t Is spade.

Broer Peter
(Rent het podium op)
Wapen, wapen.

Badeloch
Bescherm ons, goede God, behoe ons voor gevaer.
‘k Hoor onrae. Och ick zorgh mijn droom is al te waer.

Gijsbreght
Broer Peter, wel hoe dus? Wat port u zoo te roepen?
Wat jaeght u hier by nacht?

Broer Peter
God lof, dat ick de troepen
Des vyands ben ontvloon, ter dood toe afgemat.

Gijsbreght
Wat vyand? hoe? Ghy raest.

Broer Peter
(11 Danger 30).
De vyandt is in stad.
Het is met Amsterdam en met zijn hooge wallen
Gedaen zy is de wraeck in ’t end te buit gevallen.
De gruwelijcke reus heeft eene poort vermant.
Het Zeepaerd lost zijn vracht, en Vosmeer sticht den brand,
In ’t midden van ’t gevecht, met schimpen en braeveeren.
De wachters vechten flaeuw, en zien hen niet te keeren.
Het leger treckt vast in met duizenden, een maght
Zoo groot als Waterland noch oit te velde braght,

Gijsbreght
(Staat op in zijn ondergoed)
Ick zal terstond om hoogh gaen zien van Schreiers toren.
Ghy dienaers, brengt mijn helm en harnas by der hand.
(Soldaat komt op en brengt zijn harnas)

Badeloch
Helaes wat gaet my aen, in dezen droeven stand!
Is dat triomf? Heet dat zijn vyanden verjaegen?
Nu kentmen Haerlem eerst: nu blijcken Egmonds laegen.

Broer Peter
Geduld mevrouw, geduld. God proeft zijn uitverkoren.

Gijsbreght
Beklimt in zijn lange ondergoed de stelling en kijkt uit over de nachtelijke stad)
Ick kan bescheielijck en klaer ’t geklicklack hooren,
En ’t rammelen van ’t stael: ’t geluid koomt dichter by.
De schepen branden al, en schitteren in ’t Y,
En in de Diemer meer en alle burreghwallen.
Ick zagh het groot gebouw, Ian Witten gevels, vallen.
En ’t naeste huis daer aen dat staet in lichten brand.
De klocken kleppen vast. De heele waterkant
Die is in rep en roer, het bloedigh zwaerd gaet weien.
Men steeckt ‘er de trompet. Men hoort de menschen schreien.
Brengt hier mijn harnas. T ‘sa dienaers, schaft geweer.
Al wie in ’t harnas sterft, die sterft met krijgsman eer,
Waer vrienden in den nood? Waer zijn ons bondgenooten?
(Bondgenoten rennen op met hoge stoel)

Bontgenooten
Mijn heer, ’t is vechtens tijd, zoo vechten helpen magh,
Why zijn getroost met u te leven en te sterven.

Gijsbreght
Ghy zult in eeuwigheid by God uw loon verwerven,
Voor dezen trouwen dienst, in mijnen lesten nood.
Ghy ziet hier anders niet voor oogen dan de dood:

Badeloch
Beschermt mijn lieven man, dat bid ick, vroome heeren.

Arend
Vrouw zuster, ick beloof ‘k zal zonder hem niet keeren.
(Alle rennen af. Pauzebord. 12 Dufay 14)


3e Toneel
Rey van Klaerissen
(Processie komt na de pauze op in witte pij en zingt)
Oh Kerstnacht, schooner dan de daegen,
Hoe kan Herodus ’t licht verdraegen,
Dat in uw duisternisse blinckt,
En word geviert en aengebeden?
Zijn hooghmoed luistert na geen reden,
Hoe schel die in zijn ooren klinckt.
Hy pooght d’onnoosle te vernielen,
Door ’t moorden van onnoosle zielen.
(Processie komt het klooster binnen, voert een RK choreografie uit, gevolgd door het Islamitisch gebed en stelt zich op voor het altaar)


HET VIERDE BEDRIJF
1e Toneel
Het klooster. 13. Muziek Gregorian 4 Projecties van interieuren van RK kerken. Een van de stellingen is tot altaar gemaakt. Een RK processi, gevolgd door een mis. De bisschop spreekt.

Gozewijn
Het loopt met Amsterdam, gelijck ghy hoort, ten ende,
En wy verwachten deel aen d’algmeene ellende,
’t En zy dat elck van ons zich daetelijck verzie.
Voor my, ‘k ben oud ent raegh: my voeght niet dat ick vlie,
Zoo veele moeite en is het leven my niet waerdigh.
Belief het God, hy koom, zijn dienaer staet al vaerdigh
Ghy mooght dan, nu ghy hebt die zelleve gedachen,
Met my voor dit autaer. De vyanden verwachten.
(Gregoriaanse muziek: Gregorian 4. Bisschop Gozewijn brandt een kaars en voert de dienst uit)

Gijsbrecht
(komt op in volle wapenrusting. De dienst gaat door)
Dat God u allen spaer! Is ’t hier nog tijd van zingen!
De vyand zakt vast neer, om ’t klooster te bespringen.
Oom Gozewijn, koom hier; en zijdt ghy oud en traegh,
Gedoogh dat ick u op mijn beide schouders draegh.

Gozewijn
Gemack, myn trouwe neef, ghy mooght dees moeite derven.

Klaeris
Wy zijn aleens gezint, en wel getroost te sterven.

Gijsbreght
Hoe nu?
Dat ick den Bisschop noch voor ’t outer zou zien slaghten,
En in het laeuwe bloed de nonnekens verkrachten?
Dat werde nimmer waer. O Goddelijk geslaght!

Daer is de vyand zelf. Ick vliegh na boven toe.
En zal zoo lang ick magh, de kloosterpoort beschutten,
Of mijne hulp noch kon uw leven onderstutten.
(Gijsbreght af. De dienst gaat door. De Klaerissen krijgen een gasmasker en voeren de
de gasmasker choreografie uit)

2e Toneel
(Een zwaardgevecht in slow motion in het licht van toortsen.
14. Techno 4 Stadsoorlog. Projecties van een moderne stadsoorlog)

3e Toneel
De ridderzaal van het Kasteel. Badeloch op het voortoneel. Arend komt op.
Badeloch
Heer broeder, wel wat’s dit? Hoe keertghe dus alleen?
O god, waer blijft mijn heer? Is hy gebleven?

Arend
Neen,

Badeloch
Wat tijdingh brengtghe dan? Zegh op, is hy gebleven?

Arend
Ick liet hem voor ’t Stadhuis gezond en noch in ‘t leven

Badeloch
Helaes waer magh hy zijn? Mijn troost, mijn hoop, mijn hoofd.
En keertghe zondder hem? Dat hadghe niet belooft.

Arend
Versla u niet, maer toef. Ghy zult hem haest aenschouwen

Badeloch
Ick bid, verhaelme doch al ’t geen u wedervoer.

Arend
(Verslag parallel met licht- en geluidseffecten)
Doch nu ghy ’t zoo begeert, hoor toe, ick zal ’t verhaelen.
Wy quamen niet zoo haest omtrent den Middeldam,

Dies Gysbreght liet gebien, men zou in vaerdigheid
De bruggen, daer de stad zich recht in ’t midden scheid,
Verbranden, en voor al den Middeldam bezetten;
Om ’s vyands overkomst daer mede te beletten,

Schoon of het krijghsvolck van de nieuwe meester waer.
Hy zellef was de voorste, om elleck moed te geven,
En ging daer op met ons na merckt en raedhuis streven,
En brogt met al zijn maght de burgers op de been,

Doen vlogen wy met hem te zaemen na den brand,
Om, waer het mogelijck, daer orden op te stellen:
Maer laes! Het was te spa. Wat mond kan u vertellen

De dooden lagen vast langs burreghwal en straeten.
Geen kruiswegh die niet dicht bezet werd van soldaeten.

In zoo veel rampen hiel hy al den zelven moed,
En yverde om den Dam te houden onbezweecken,
Waer langs de vyand zocht geweldig in te breecken:
Gelijck een waterstroom geweld doet op een sluis,
En elx gehoor verdooft met ysselijck geruis.

Ick werd op wegh verlet, en koom den burgh bewaren,
En hoop de goede God zal mijn’ heer broeder spaeren.

Badeloch
Een hoopelooze hoop. Och Gijsbreght, lieve heer,
Ick reken hem al dood, en zie hem nimmer weer.
(Zij blijft zitten op de kerkbank op het voortoneel)

4e Toneel
Rey van Burghzaten
(Burghzaten komen uit de strijd op het voortoneel en zingen Badeloch toe)
Waer werd oprechter trouw
Dan tusschen man en vrouw
Ter weereld oit gevonden?
Twee zielen gloende aen een gesmeed,
Of vast geschakelt en verbonden
In lief en leedt.
Daer zo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel,
En hart met hart te gader.

Geen water bluscht dit vuur,
Het edelst, dat natuur
Ter weereld heeft ontsteecken.

Dit is het krachtigste ciment,
Dat harten bind, als muuren breecken
Tot puin in ’t end.

Zoo treurt nu Aemstels vrouw,
En smelt als sneeuw van rouw
Tot water en tot traenen.
Zy rekent Gijsbreght nu al dood.
Die, om zijn stad en onderdaenen,
Zich geeft te bloot.

Badeloch
My dunckt ick hoor gerucht. Daer roept een aen de poort.
God lof, het is mijn heer. Ick heb zijn stem gehoort.


HET VYFDE BEDRIJF
1e Toneel
(Tromgeroffel en muziek. Beelden van de veldslag en Amsterdam. De stellingen bewegen naar achteren. De grote ridderzaal van het kasteel. Gijsbreght van Aemstel komt met broeder Peter op)

Gijsbreght
Myn lief, hoe hebtghe dus uw oogen uitgekreten?

Badeloch
(Zij knielt voor hem)
Nu ghy behouden zijt is al mijn leet vergeten,
Mijn trouwe bruidegom, mijn hoofd, mijn troost, mijn schat:
Nu ghy behouden zijt, wat geef ick om de stad,
Om al des weerelds goed! Hoe zijtghe hier gekomen?

Gijsbreght
Na dat de vyand nu den Dam had ingenomen,
Nam ick en ’t overschot na’et raedhuis toe de wijck,
En hiel hem staen met kracht, als water voor den dijck;
Men voert den stormbock aen: men gaet de ladders rechten
En klimt met d’eene hand ten gevel uitgestreckt
In d’ander met den hooft die hals en hooft bedeckt

(Wen ’t landvolck opgeklept zich zoeckt by nacht te redden,
En brengt vast zoden aen, en steenen, paelen, bedden
En bulsters, en al ’t geen den zeedijck stutten kan,
Daer die is doorgeweeckt; en zweet met alle man).

Ick steeg den toren op, die boven ’t dack koomt rijzen,
In ’t midden van ’t stadhuis, van waer men u kon wijzen
De tenten om de stad, en hoe al ’t leger lagh,
En van wiens trans men flaeuw den Dom van Vitrecht zagh,
By klaer en helder weer. ‘k zagh hier uit hoeze streden,
En met den storrembock de poort geweld aen deden,
En ramden reis op reis, verdadight door een dack
Van schilden dicht gevoeght. De deur gaf krack op krack.
‘k Was al mijn vrienden quijt, en stond verbaest en stom

Badeloch
En zaegtghe toen noch niet na vrouw en kinders om?

Gijsbreght
Ick vloogh ‘er heen, en zocht te stillen die vast kreeten,
En gaf hen moed, en wou de ruiters houden staen:
Zy zouden achter my de brugh in stucken slaen,
Of steecken die in brand: maer niemant durfde ’t waegen.
Oock zagh ick d’oude zy nu branden lichter laegen;
Een voorbo van het geen was naderhand gebeurt,
En dat de Middeldam alree most zijn gescheurt:
Dies gaf ick ’t op, en voort de gansche stad ten besten,
En waerschuwde yder een, en gafme langs de vesten
Na’et slot toe, met een ‘sleep van menschen arm en rijck,
Een’ troosteloozen hoop, die herwaert neemt de wijck.
(16. ME/ Hildegard van Bingen)

2e Toneel
Bode
Most ik den bisschop moch zien sterven en d'abdisse?
Och vader Gozewijn! och reine maegd Klaerisse!

Gysbreght:
Hoe is het mogelijk dat ghy 't hebt konnen zien?

Bode:
Ik volgde Haemstee na, doen hy in 't klooster raekte,
En vloogh de kerckdeur in, daer Gozewijn noch zat,
In 't midden van den rey, die even vierugh bad,
De vyand stond versuft, en deisde om deze zaeck
Maer 't aenzien van Klaeris beweeghde 't hart tot wraeck,
Hy blaekte en kreegh een koorts, en door de koortze dorst
Na haer en Aemstels bloed, en stiet eerst door de borst
Met zijn bemorste poock dan d'eene non dan d'ander.
Zy vielen overhoop, en lagen by malkander
Hy duwde 't bloedigh zwaerd in 's grijzen loome zijde
Tot aen 't verguld gevest.

Gysbreght
Hoe droeg Klaerisse zich?

Bode
Zy holp den degen trecken
Uit 's ooms gewonde zy, en zette hem terstond
De mijter op het hoofd, en kust de bleecken mond.
En zwijmt een poos van druck, maer Haemstee, eerze weder
Bekoomt, die worrept haer op 't doode lichaem neder,
En boet 'er schendig mee zijn' godvergeten lust.
z'Ontwaeckt in 't ende, en word van 't schellemstuck bewust,
En roept: mijn bruidegom, zie neder hoe ik lije,
En hoemen my schoffeert, o zuivre maegd Marije!
O Klaere, aanschouwtghe dit? vrouw Machtelt, zie Uw kind.

3e Toneel
De belegering
Schaduwspel
Muziek: 17. El Canto. Beelden oorlogsdoden)

4e Toneel
Arend sterft
(Poort open. Arend gewond op en zakt door de knieen, Gijsbreght vangt hem op. Stervensscene op de grond)
Arend
Och broeder, laetme los.

Gijsbreght
Hoe is’t?

Arend
‘k En kan niet meer.

Badeloch
Hoe is het, Arend broer?

Broer Peter
Nu doe ons eenigh teecken.

Arend
Ick ben den adem quijt. Ick kan niet langer spreecken.
Mijn hart bezwijckt door ’t bloen. Ick heb mijn’ plicht voldaen,
Mijn vaderlijcke stad ten ende voor gestaen,
Na dat ick had zoo lang in ballingschap gezworven.
Heer broeder, ‘k neem verlof, en als ick ben gestorven
Zoo voer, indienghe moet verlaeten deze plaets,
Mijn lijck met u, op dat de wraecklust des soldaets
Het niet onteer, en gun het een gewijde stede.
Gedenck mijn ziel voor God, o priester, in uw bede.
Ick schey, ick zwijm, ick sterf. Mijn tijd is hier gweest.
Och vrienden, bid voor my. O God, ontfang mijn ‘geest.
(Arend sterft)

Broer Peter
Hy is al dood, en heeft gena by God verworven,

Gijsbreght
Hy is met vollen roem in ’t harrenas gestorven,
En volght zijn ‘broeder Ot in ’t hemelsch vaderland.
En triomfeert by God.

Badeloch
Gij mist uw rechte hand.

Gijsbreght
Men treck het lichaem uit, men draegh den doode binnen.
(18 Requiem muziek Chant 17. De stellingen verschuiven. Arend opgebaard en daarna het ritueel van het afscheid nemen met kaarsen)

5e Toneel
Vooren
(19. Klaroenstoot. De heer van Vooren komt in militair camouflagepak op,
een witte vlag in zijn hand)
Myn Heer, uw ongeluck is ons van harte leet.
Wy staen voor deze graft tot storremen gereed.
’t Waer tijd en meer dan tijd, dat ghy u kort beraede,
En gaeft het huis voort op, met hope van genade,

Gijsbreght
‘k En schey ‘er zoo niet af, als met mijn eigen leven,
En eer ick sterref zal noch menigh met my sneven.

Vooren
Is ’t eere dat een held zich zelf verreuckeloos?

Gijsbreght
Men houd de plaets op hoop.

Vooren
Hier is geen hoop altoos.
Met houden is hier niet met allen uit te rechten.

Gijsbreght
Dat maghen dan bezien. Wij zullen ‘er om vechten.

Vooren
’t Was vechtens tijd, aleer de vyand uwe stad,
De poorten en de vest noch heel vermeestert had:
Doen alle klocken brand en moord en onraed klepten,
En burger en soldaet om ’t zeerst hun handen repten:
Nu die verweldight zijn, het Raedhuis afgebrand,
En wat in ’t harnas blonck, gesneuvelt en vermant,
Is ’t al vergeefs het slot en overschot verdaedight.
Bera u kort, ghy word noch mooghlijck begenadight.

Gijsbreght
’t Is mijn gewoonte niet te bidden om gena.

Vooren
’t Is wijsheid datmen zich zomwijl te buiten ga

Gijsbreght
‘k Verwacht een uitkomst dan, en geef het op aen God.

Vooren
Wat uitkomst wachtghe toch? Ghy zult terstond dit slot
Van alle kanten zien beladdren en bespringen.

Gijsbreght
Men zalme van het Y zoo lichtelijk niet dwingen.
Ick heb noch hier en daer veel vrienden op mijn hand.
Mijn toeverlaet, naest God, dat is de waterkant.

Vooren
Daer niet gewonnen word, is ’t ydel datmen strijd.

Gijsbreght
Een krijghsman wint genoegh, al wint hy niet dan tijd.

Vooren
’t Was raedzaemst by verdragh, en niet uit nood gegeven.

Gijsbreght
Myn moeder leerde my, dat ick geen ‘raed zou leven
Met vyanden, waer van men ’t argste moet vermoen.
Mijn heer, ick heb uw’ raed voor dees tijd niet van doen.
Wie stopt den Aemstel toe met dooden? Wie de straeten?
Waer zietmen niet de vlam van dien gestichten brand?
Wat grafstee, wat autaer, wat kerck heeft ’s roovers hand
Verschoont? Wat heilighdom, kapellen, kloosters, nonnen
Zijn van die klaeuwen niet geschandvleckt en geschonnen?
Op dat ick niet en rep, hoe gruwlijck de soldaet
Na’et schennen martlen durf den godgewijden staet;
Daer al de volgende eeuw met laster van zal spreecken,
En dat Gods streng gerecht te zijner tijd wil wreecken.

Vooren
Dit, leider! Was een nacht vol ramps vol ongevals:
Maer datmen d’oversten wil schuiven op den hals
Al wat ‘er is misdaen by krijgslien zonder orden,
En die door geen gezagh in toom gehouden worden,
By die gelegenheid; dat lijd de reden niet,
Noch leert d’ervarenheid, en is wel meer geschied;
Byzonder daer het hart van wraecklust was bezeten.
Wie keert een‘ dollen leeuw, na’et breecken van zijn keten?
Hy volght zijn ‘wreeden aerd, en vlieght met eenen loop,
En grabbelt blindeling den reedsten uit den hoop.
Wanneer ’t verbolgen zwaerd eens raeckt uit ‘g krijghmans scheede,
Het keert’ er lansaem in, en acht gebod noch bede,
Verschoon uw leven doch, en gun dees eere aen my.

Gijsbreght
Ick ben met eenen dood voor al mijn leven vry.
(Vooren af)

6e Toneel
Gijsbreght
Wy gaven Vooren kort en duidelijck bescheed.
Ghy hoort, hoe ’t krijghsvolck staet tot storremen gereed:
Mijn liefste, geef u scheep, al is het scheiden pijn
’t Is noodigh, Peter zelf die sal uw leidsman zijn,

Broer Peter
Mevrouw, zijt wel getroost, ick zal u zelf geleiden.

Gijsbreght
‘k Neem oorlof met een‘ kus

Badeloch
‘k En sal van ’t huis niet scheiden
Noch scheep gaen zonder u, mijn heer, mijn waerde man.

Gijsbreght
Ick volgh u eer ghy ’t weet.

Badeloch
Daer weetghe luttel van.

Gijsbreght
De stroom is wijd genoegh, al stoptmen deze haven,
Een schuit ontslipt het licht.

Badeloch
Men zal u hier begraeven,
Bestulpen onder ’t puin. Ick zie dit huis in brand.

Broer Peter
D’Onsterfelijke God heeft alles in zijn hand.

Badeloch
Gelijck de brand getuight van ’t gloeiende Amsterdam.

Broer Peter
’t is zijn gehengenis, wie durft zich daer in mengen?

Badeloch
Wanneer ons leed geschied dan zal hy ’t oock gehengen.

Gijsbreght
Zult ghy dan oirzaeck zijn dat beide uw kinders sneven?

Badeloch
Ick zou om eenen man wel bey mijn kinders geven.

Gijsbreght
Beweeght uw kroost u niet, dit jongsken kleen en teer?

Badeloch
Niet luttel. Maer mijn man beweeght me noch al meer.
Met smarte baerde ick ’t kind, en droegh het onder ‘thart.
Mijn man is ’t harte zelf. ‘k heb zonder hem geen leven.
‘k Zal u, om lief noch leedt, bezwijcken noch begeven.
‘k Beloofde u hou en trouw te blijven tot de dood.

Gijsbreght
’t Is oock getrouwigheid, wanneer men scheid uit nood.

Broer Peter
Men scheid om beters wil. Om weder te verzaemen.

Badeloch
Indien ick van hem schey, wy komen nimmer t’zaemen

Broer Peter
Ghy scheide menighmael, en zaeght hem weer gezond.

Badeloch
‘k En scheide noit, daer ’t zoo bedroeft geschapen stond.

Broer Peter
De weerhaen van de kans zeer lichtelijk kan keeren.

Badeloch
’t Verkeerde noit zoo snel, of ’t was om my te deeren.

Broer Peter
’t Was best de kinders dan in zekerheid gebragt.

Badeloch
’t was best, en hielm niet de band des echts verknocht.

Broer Peter
Een vrouw gedijt tot last: zy weet niet uit te rechten.

Badeloch
Bestelme slechts een zwaerd, ick ben bereid te vechten,
Te sterven aen de zy van mijnen vromen man.

Gysbreght
Ghy hebt een vrouwen hart.

Badeloch
Neem eens de proef daer van.
Heldinnen stonden eer als onbeweegde posten.
De faem van vrouwen roemt die stad en volck verlosten.
Uw moeder Baerte toont hoe veel een vrouw vermagh,
Wanneer zy Ysselstein verdedigt jaer en dagh.

Gijsbreght
Gehoorzaem uwen heer,

Badeloch
Zeer gaerne braeve held vergunme slechts een bede,
En ruck, het is mijn wil, dit lemmer uit der scheede,
En stoot het door dees borst en doop het in dit bloed.
’t Is beter dat ghy ’t zelf dan Vries of Kermer doet.

Gijsbreght
O gruwel, Badeloch,
Hoe laetghe zulck een woord uw ‘kuischen mond ontgaen?
’t Is tijd om weer te bien.
Waer zijtghe dienaers? waer myn knapen?
Op mannen, wapen, wapen.

Badeloch
Ick neem verlof. Ick ga: ick kus voor ’t lest uw handen.
‘k Gehoorsaem u, gelijck een Christe vrouwe past.
Ick schrey en klaegh vergeefs. Och mannen, houd hem vast.

Vluchtelingen
Mijn heer, errbarrem u, om uw bedruckte vrouwe:
Zy luistert na uw’ raed. Zy zwijmt, zy sterft van rouwe.

Broer Peter
Om Gods wil, geef gehoor. Ghy ziet hoe zy u minnen.

Gijsbreght
Wat razernij is dit! Wat onverzetbre zinnen!
Men recht met jammeren noch jancken hier niet uit:
De traenen doen ’t hem niet. De wreedheid word gestuit
Met dapperheid en moed. Waer laet ghy u vervoeren!
Al ’t kermen is onnut: men moet de handen roeren.

Badeloch
Voor ’t scheiden, laetme toe dat ick mijn bede stort.
Broer Peter, bid voor my, dat God dees arme schaere
Door zijnen engel stuure, en mijnen heer bewaere.
(Men knielt en bidt)

7eToneel
Rafael
(20 Muziek Afghaans: De engel verschijnt in wit gewaad met licht)
O Gijsbreght, zet getroost uw schouders onder ’t kruis
U opgeleit van God. ’t Is al vergeefs dit huis
Verdaedight; hadden wy ’t in ons behoed genomen,
’t En waer met Amsterdam zoo verre noit gekomen:
Dus wederstreef niet meer uw trouwe gemaelin.
Verlaet uw wettigh erf, en quel u nergens in.
Al leit de stad verwoest, en wil daer niet yzen:
Zy zal met grooter glans uit asch en stof verrijzen:

Want d’opperste beleit zijn zaecken wonderbaer.
De Hollandsche gemeent zal, eer drie honderd jaer
Verloopen, zich met maght van bondgenooten stercken,
En schoppen ’t Roomsch autaer met kracht uit alle kercken
Verklaeren ’t graeflijck hoofd vervallen van zijn Recht,
En heerschen staetsgewys; het welck een bits gevecht,
En endeloozen krijgh en onweer zal verwecken,
Dat zich gansch Christenrijck te bloedigh aen wil trecken

En Aemstels oude naem en zal geen’ roem ontbeeren;
Als uw naemhafte stad haer ‘Schouwburgh open doet,
En voert op ’t hoogh tooneel uw daeden te gemoet

Broer Peter
Zijt ghy dat Rafael?
Wy volgen op uw licht. Wy zien ’t is Gods besluit.

8e Toneel
De Ballingschap
Gijsbreght
Nu buig ick my voor God, mijn lief, mijn uitverkoren:
Nu weiger ick geensins na uwen raed te hooren,
En legh hier ’t harnas af, hier baet geen tegenweer:
Nu God dit huis verlaet, en geldt’ er zwaerd noch speer.
(Gijsbreght legt het harnas om en knoopt een Palestijnse shawl om het hoofd)

Zoo wel des nachts als daeghs, hoort mannen, hoort na my.
Wanneer men uit den stroom en Pampus raeckt voorby.
Zoo doet ter lincke hand in zee zich op wat weiland,
Dat Marcken heet van ouds, een laegh en visschers eiland,
Het welck een klooster draeght genoemt Mariengaerd,
Een rijcke en oude abdy: wy zullen derrewaert
Ons spoen, voor wind voor stroom,

Vluchtelingen
Helaes! Hoe bitter valt
Het scheiden van zijn land, daer alles loopt verloren!

Broer Peter
De liefde tot zijn land is yeder aengeboren

Badeloch
Verdelghde stad, wy gaen, en komen nimmer weer.
(Beiden af)

Gijsbreght
Vaerwel, mijn Aemsterland: verwacht een ‘andren heer.
(Gijsbreght af. Lange gongslag. Einde bord)