Historische Achtergrondinformatie

voor meer informatie over het toneelstuk klik hier
 
Vondel en zijn ‘Gijsbreght van Aemstel’


Joost van den Vondel (1587-1679) werd uit doopsgezinde ouders in Antwerpen geboren. Zijn familie vestigde zich na de val van Antwerpen in de Amsterdamse Warmoestraat Vondel is niet alleen bekend als toneelschrijver van de treurspelen ‘Gijsbreght van Aemstel’ en ‘Lucifer’, maar ook door de talloze gedichten, waarvan zijn ‘Inwijdinghe van ’t Stadhuis te Amsterdam’ waarschijnlijk de bekendste is. Gedichten die de belangrijkste gebeurtenissen in de 17e eeuwse koopmansstad Amsterdam markeren. Vondel stierf op de zeer hoge leeftijd van 92 jaar en ligt begraven in de Nieuwe Kerk.

Het personage Gijsbreght van Aemstel was al voor Vondels’ toneelstuk een bij de Amsterdamse burgerij bekende toneelfiguur. P.C Hooft tekent hem in zijn ‘Geeraerdt van Velsen’ als een waardige en tragische figuur en vermoedelijk heeft Vondel met dit gegeven zijn toneelstuk geschreven.
In Gijsbreghts’ openingsmonoloog geeft Vondel zijn versie op een van de belangrijkste gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis; De feodale strijd van enkele edelen met de Hollandse graaf Floris V uitmondend in diens gevangenschap en moord in 1296. Deze dramatische gebeurtenis leidt tot een serie van bloedwraak acties en is de directe oorzaak van het beleg van Amsterdam in 1303.
Vondel verwijst in zijn Gijsbreght verschillende keren naar het beleg van Troje. Niet zozeer de Ilias van Homerus, maar de Aeneis van Vergilius stond hem daarbij voor ogen. Het was tenslotte de Trojaan Aeneis die na de val van zijn geboortestad in ballingschap moest en daarmee de mythische aartsvader van het grote Rome zou worden.
Maar een treffender vergelijking is de wijze waarop de Grieken na jaren van beleg wegtrokken, het Paard van Troje voor de muren achterlatend. Het houten paard wordt als triomf de stad ingehaald. Bij Vondel is het een schip met ‘rijshout’, het ‘Seepaerd’, genaamd, dat door de ‘spie’ Vosmeer als oorlogsbuit de stad in wordt gevaren. In het schip hebben zich vijandige soldaten verborgen, die in de kerstnacht de poort openen, waarna de stad na een bloedige strijd ten onder gaat. Men kan zich afvragen of Vondel bij het schrijven niet meer gedacht heeft aan het bekende turfschip van Breda (1623), waarmee die stad op de Spanjaarden veroverd werd. Een gebeurtenis die niet lang daarvoor had plaatsgevonden en het publiek bekend was.

De moord op Floris V en het beleg van Amsterdam


(Tekst Jacob Dekker)
In het toneelstuk wordt een wraakactie uitgevoerd op de hoofdpersoon vanwege zijn betrokkenheid bij de moord op Floris V. Gijsbreght houdt zichzelf voor onschuldig. Hij is in het complot tegen de landsheer terechtgekomen omdat Gerard van Velsen hem de zaak anders had voorgesteld dan zij in werkelijkheid was. Men zou Floris V willen manen zich te matigen in zijn politiek jegens de edelen, maar hem ontvoeren en de hersens inslaan, was volgens Gijsbreght geenszins de bedoeling.
Daarom is de verlossing van zijn stad voor hem een Godsoordeel. De vijand echter is van zijn schuld overtuigd. In het hele stuk maken zij er geen woord aan vuil, zij weten wat zij komen doen en ze deinzen nergens voor terug.
De moord op Floris V is een van de bekendste gebeurtenissen uit de middeleeuwse geschiedenis. De daders hadden diverse motieven. Gerard van Velsen zou op Floris V gebeten zijn vanwege de verkrachting van zijn vrouw Machteld. Gijsbreght had persoonlijke bezittingen moeten opgeven om ze slechts in leen terug te ontvangen. Floris V was geliefd bij de burgers en de boeren en dankte zijn bijnaam ‘’der keerlen Gods’ aan hen, hetgeen de adel opvatte als een affront.
Het gijzelen van Floris verliep volgens plan. Gijsbreght wekte hem uit zijn middagslaap om op valkenjacht te gaan, in het veld buiten Utrecht. De samenzweerders namen hem gevangen en sloten hem op in het Muiderslot. De ontvoeringspoging naar Engeland werd bij Muiderberg verijdeld door een groep gewapende boeren. Gerard van Velsen heeft in het gevecht dat volgde Floris doodgeslagen. De datum staat in ieders geheugen gegrift: 27 juni 1296.

 

De ‘Gijsbreght’ en de historische kaarten van Amsterdam.


De ‘Gijsbreght van Aemstel’speelt zich af in het middeleeuwse Amsterdam. De gebeurtenissen nemen een aanvang op de middag voor kerstmis in het jaar 1304. Vondel schreef het toneelstuk meer dan drie eeuwen later in 1636.

Op welke Amsterdamse locaties speelt de Gijsbreght? Hoe lagen die locaties er in 1544 en 1637 bij? En hoe zag de werkelijke middeleeuwse stad van 1304 eruit? Vondel nam het met de historische werkelijkheid niet zo nauw. Hij beschrijft in zijn toneelstuk een Amsterdam dat voor het 17e eeuwse Amsterdamse publiek nog herkenbaar was. Hij hanteerde de bekende kaart van Cornelis Anthonisz. uit 1544. De stad lag daarin als een gespleten peer rond de Amstel. Een stad met zijn gezicht naar het IJ en een stenen muur langs de Singel, tot aan de Munttoren en terug via de Kloveniersburgwal tot aan de Zeedijk en het IJ. Tijdens Vondels’ leven in Amsterdam is de stenen muur verwijderd, maar deze moet in het leven van veel 17e eeuwse Amsterdammers nog een levende herinnering zijn geweest.

Het werkelijke Amsterdam van 1304 is waarschijnlijk niet veel groter geweest dan de bebouwing op de rechteroever van de Amstel, de omgeving van de Warmoestraat, met de Middeldam als verbindingsschakel naar de linkeroever. Volgens recent stadsarcheologisch onderzoek is het fundament van het Kasteel van de Aemstels ontdekt op de linkeroever nabij de Nieuwedijk en de Nieuwezijds Voorburgwal, waarmee het kasteel precies aan de andere kant ligt als waar Vondel hem plaatst

Vondel schreef de ‘Gijsbreght’ in 1637. Amsterdam was in die tijd een fors expanderende koopmansstad. Het westelijk deel van de Grachtengordel en de Jordaan waren net voltooid en een van de nieuwe gebouwen was de Schouwburg aan de Keizersgracht, die voorzien was van een ‘spitze kap’. Met de opvoering van de ‘Gijsbreght van Aemstel’ op 3 Januari 1638 zou de nieuwe schouwburg worden geopend. Er bestonden toen reeds plannen om de grachtengordel uit te breiden tot aan de Amstel, waardoor na 1650 de klassieke ui-vormige structuur van het Amsterdamse binnenstad ontstond.

Gijsbreght van Aemstel komt in het eerste bedryf op de middag van 24 December aan de oude Haarlemmerpoort, die aan het einde van de Nieuwedijk bij de Singel heeft gestaan. De poort was van hout evenals de pallisaden waarmee Amsterdam is omgeven. De stenen muur is pas van de 15e eeuw en was in Vondels tijd grotendeels al weer verwijderd. Voor de Haarlemmerpoort liggen de lijken in de moerassige velden en langs het IJ loopt de Haarlemmerdijk waarlangs de vijand is gevlucht.


In het tweede bedrijf komen de manschappen van Willem van Egmont en Diedrick van Haerlem aan de poort van het Kartuizerklooster, dat destijds gelegen was in de velden ten westen van de stad en tegenwoordig een pleintje en hofje in de Jordaan is. Tot aan de toenmalige stadsmuren lag het donkere en drassige veld waar de veldheer Egmont en de spion Vosmeer elkander ontmoetten.

In het derde bedrijf wordt melding gemaakt van het ‘Huis van de Aemstels’, dat Vondel op de rechteroever van de Amstel , aan de oever van het IJ plaatst. De
Schreierstoren is in de verbeelding van Vondel een hoektoren geweest van het slot. In werkelijkheid bestond de schreierstoren nog niet en heeft het kasteel van de Aemstels waarschijnlijk op de linkeroever van de Amstel aan de kolk nabij de Nieuwedijk gestaan.
Het Bethanienklooster aan de Heiligeweg, waar de moord op vader Gozewijn en het kerkvolk plaatsvond was maar een van de vele kloosters in het middeleeuwse Amsterdam.

Vanaf de 14e eeuw was ca. 18% van het grondgebied binnen de omheining in handen van kloosters en (katholieke) kerken
.
Het oude stadhuis op de Dam, waar Gijsbreght in het vierde bedrijf in klimt om overzicht te krijgen van het strijdgewoel stond er al voor Vondels tijd, maar zeker nog niet in 1304. In het hart van de stad op de Mastel bij de Middeldam lag de binnenhaven van de stad. Hier lagen de houten schepen, die door Vosmeer in brand werden gestoken. Op de Dam spitst de nachtelijke strijd om de stad zich toe.

Het ‘Huis van de Aemstels’ waar Gijsbreght en de zijnen zich in het vijfde bedrijf terugtrekken ligt volgens Vondel aan het begin van de Zeedijk aan het IJ. Het IJ was in die tijd een open zeearm van de Zuiderzee. Gijsbreght en zijn gevolg gingen van hieruit per schip over het IJ naar het eiland Marken. Hun ballingschap begon in de kerstnacht.